Ambachtelijke mode in een wereld vol Louis Vuittons

Globalisering is uniformiteit. De hele wereld draagt jeans, eet hamburgers en luistert naar popmuziek. Tegelijkertijd is er een tegengestelde beweging: een sterke hang naar authenticiteit, naar puurheid en naar traditie. Jonge, geëngageerde modeontwerpers uit alle hoeken van de wereld beantwoorden aan die vraag. Ambacht en etniciteit spelen een grote rol in hun werk dat via Fashion Weeks en het internet zijn weg vindt naar de wereldmarkt. Wat zijn hun ambities? Waar worden ze in belemmerd? ,,Iedereen vond onze ontwerpen achterlijk. Ze zeiden dat we daarmee terug gingen in de tijd.”

Vanya Mangaliso doet wat niemand anders doet in Zuid-Afrika: authentieke Afrikaanse haute couture ontwerpen. Samen met haar man Thando begon ze vijf jaar geleden het modemerk Sun Godd’ess, eigentijdse ontwerpen met sterke verwijzingen naar de Afrikaanse tribale kunst en modegeschiedenis. Vanya: ,,Als je in Johannesburg uit het vliegtuig stapt, lijkt het of je in New York of een willekeurige andere wereldstad bent. Status blijkt uit het dragen van jeans, sneakers, een tas van Louis Vuitton en een Gucci-zonnebril.”

Met hun ontwerpen wilde het jonge echtpaar een bijdrage leveren aan de wederopbouw van de Zuid-Afrikaanse identiteit en het herstellen van de tradities. Hun vrienden en kennissen begrepen echter niet waarom ze etnische kleding ontwierpen. Mangaliso: ,,Ze zeiden: ‘ons land gaat eindelijk vooruit. Wij proberen het verleden van ons af te schudden, en jullie brengen ons terug in de tijd.’ Ze vonden onze ontwerpen achterlijk, maar we hielden vast aan ons idee.” Momenteel hebben ze vier eigen boutiques in onder meer Kaapstad en Durban. Ironisch genoeg naast de Louis Vuitton-winkel.

Sun Godd’ess is niet de enige niet-westerse speler met een sterke lokale identiteit op het internationale modeveld. Tegenover de uniformiteit van de globalisering, grotendeels opgelegd door de cultuur van de Verenigde Staten, is er een nieuwe hang naar puurheid, naar authenticiteit, waaraan veel jonge ontwerpers uit alle hoeken van de wereld voldoen. Hun ontwerpen vertellen een verhaal: historische of culturele verhalen die iets vertellen over een streek of een land.

Voor een expertmeeting van de Premsela Stichting en het Centraal Museum reisde een aantal van hen naar Utrecht af. Van de ontwerpers van het Russische modehuis Razu Mikhina en de Chinese China Lane uit Shanghai tot de oprichters van Pineda Covalin uit Mexico en het Braziliaanse sloppenwijkproject Coopa Roca. Bewust of onbewust gebruiken ze allemaal lokale culturele thema’s, materialen en technieken in hun werk.

Hun kledingstukken zijn te zien op de tentoonstelling Global Fashion Local Tradition, samen met werk van de eerste niet-westerse pioniers in het Parijs van de jaren tachtig en negentig zoals de Japanners Issey Miyake en Comme des Garçons en de controversiële recente ontwerpen van de Cyprioot Hussein Chalayan. Publiekstrekkers van de expositie zijn de kledingstukken van de bricolageontwerper John Galliano. Zijn combinaties van Victoriaanse en Jemenitische invloeden vermengd met een piraten- en zwerverslook zijn een extreem voorbeeld van globalisering in de mode.

In de collecties van Razu Mikhina zijn gekleurde linten, wol, kant en linnen terugkerende elementen uit de Russische folklore. Ontwerpster Daria Razumikhina gebruikt haar Poolse, Georgische, Joodse en Russische wortels naar eigen zeggen onbewust: ,,Ik gebruik die materialen niet om de traditionele cultuur te redden. Ik vond ze al mooi toen ik een klein meisje was.” Ze stond ermee op de Fashion Weeks in Moskou en Londen, en heeft wegens haar succes een agent in Milaan. Daar wordt haar mode als typisch Russisch gekwalificeerd. ,,Maar mijn kleren zijn geen souvenirs.”

De ontwerpster van het modemerk China Lane, Shirley Cheung uit Shanghai, gebruikt de tradities wel bewust, uit frustratie tegen de hedendaagse massaliteit van de textielindustrie van haar land. Sinds twee jaar maakt China Lane simpele traditionele Chinese ontwerpen met handgemaakte stoffen en patronen. De kledingstukken zijn te combineren met een westerse kledingstukken zoals een spijkerbroek of sneakers. De zijde is Chinees, de kasjmier laat Cheung vervaardigen in de binnenlanden van Mongolië. Shirley: ,,Als mensen denken aan China, denken ze aan massaproductie, niet aan kwaliteit. Er is in China geen ontwerper die de details waardeert. Iedereen werkt om geld te verdienen en het westen te kopiëren.” Net als in Zuid-Afrika wil ook in China de consument Gucci en Louis Vuitton. Cheung: ,,De markt daar is inderdaad nog niet klaar voor mijn ontwerpen. Maar misschien kan ik het tij keren.”

Wat haar het meest raakt is dat de traditionele technieken verloren gaan. Vooral de borduurtechnieken, die vroeger elk meisje in China leerde. ,,Zelfs op de modeopleidingen worden traditionele Chinese technieken niet meer gegeven.” Naast het behouden van de traditionele technieken zorgt ze er ook voor dat de ambachtslieden het hoofd boven water houden door hen van een inkomen te voorzien.

Een andere ontwerper in China die de Chinese etniciteit in zijn kleren gebruikt is Shanghai Tan. Maar die maakt volgens Cheung ,,Chinese ontwerpen vanuit westerse ogen. Hij is gericht op het westen. Ik niet.” Evenals Razu Mikhina is China Lane ver doorgedrongen tot de gelederen van Parijs en Milaan. En niet in de laatste plaats door de Fashion Weeks van elk continent, die de laatste tijd als paddestoelen uit de grond verrijzen, van Kuala Lumpur tot Sao Paolo. Sinds de eerste in 1997 in Zuid-Afrika, lijken ze een springplank te zijn voor lokale ontwerpers zonder middelen.

De Fashion Weeks blijken op de bijeenkomst voor iedereen van belang. Razumikhina: ,,Ja, daar kunnen we ons profileren. Hoewel de Russische Vogue mijn shows meestal geen aandacht geeft. Die bedient vooral de westerse modehuizen die in het blad adverteren.” Volgens Daria Razumikhina lopen de prijzen van de Moskouse Fashion Weeks – het zijn er meerdere – zo langzamerhand wel de spuigaten uit. ,,In het begin betaalde je vijfhonderd euro om er te mogen staan, nu al vijfduizend.” Desondanks zouden de Fashion Weeks kunnen bijdragen aan de democratisering van de mode en het einde van het monopolie van Parijs en Milaan.

Van de aanwezige modemerken op de expert meeting zijn het Mexicaanse Pineda Covalin en het Braziliaanse Coopa Roca commercieel gezien het meest succesvol. Pineda verwerkt kleurrijke dessins met referenties naar de pre-Colombiaanse indianenculturen in luxe shawls, stropdassen, tassen en schoenen. Met hun producten spelen ze in op de lucratieve toeristische sector en werken ze samen met de Mexicaanse regering, die een budget heeft uitgetrokken voor het promoten van de Mexicaanse cultuur. Ze verkopen hun werk vooral in museumwinkels in de Verengide Staten, een westerse afzetmarkt. Christina Pineda: ,,Ambachtslieden maken ontwerpen, wij kopen ze, en zo wordt iedereen er beter van.” Pineda heeft inmiddels ook een winkel in Europa, in een van de meest chique winkelstraten van Madrid. Op hun site staat bij elk product een verhaal, een mythe of een legende. Christina: ,,Mensen willen tegenwoordig geen massaproductie meer. Ze willen een product met een verhaal.” Pineda Covalin is het enige deelnemer aan de meeting die de stoffen niet in eigen land - maar in Korea – laat drukken.

Coopa Roca, een vrouwencoöperatie in de grootste sloppenwijk van Rio de Janeiro, begon als een kledingrecyclebedrijf. De traditionele ambachten die de migranten meebrachten uit alle delen van het land, vooral uit het noorden van Brazilië, zetten ze nu in voor spectaculaire modeontwerpen. Hun succes is mede te danken aan hun samenwerking met Selfridges, C&A Latijns-Amerika, en de badpakkenlijn van Lenny Kravitz. Het geld valt dus in het westen te verdienen met authentiek niet-westers ontwerp. Etnische invloeden worden in eigen land nog als ouderwets gezien.

Eigenlijk is dat ook zo in Nederland. Hoe on-Nederlandser, hoe gewilder, lijkt het wel. Op de meeting kwam de vraag ter sprake of de aanwezige Nederlandse modeontwerpers ooit etnische, lokale culturele elementen in hun werk hadden verwerkt. Helaas hadden de meeste ontwerpers, waaronder Marlies Dekkers en Alexander van Slobbe, hun komst afgezegd. De enige aanwezige ontwerpers, Niels Klaver en Astrid Van Engelen, die ooit hun eigen modemerk hadden en nu werkzaam zijn bij X’-AS, gebruiken ze niet. Van Engelen: ,,De Nederlandse mentaliteit is droog, en niet met tradities bezig maar met de buitenwereld. Maar misschien zouden we beter verkopen als we het wel zouden doen!” De argumenten van Klavers waarom hij in zijn werk niet teruggrijpt op Nederlandse folklore kwamen vooral neer op het gebrek aan goedkope productiemogelijkheden in Nederland. Klaver: ,,In Shanghai kost een naaister zestig cent per uur, hier drieëntwintig euro.”

Lucie Huiskens van de Premsela Stichging opperde dat Nederlanders niet trots zouden zijn op hun traditionele cultuur. Dat is geen ‘westers’ verschijnsel. Tommy Hilfiger en Ralph Lauren maken ook gebruik van hun eigen, Amerikaanse, tradities in hun kledinglijnen. Van de Nederlandse modemerken gebruikt er maar een echt traditionele Hollandse patronen: Oilily. En dit jaar was er een aantal shows van Nederlandse ontwerpers waarbij de modellen met klompen liepen op de catwalk. Maar wellicht kan de vraag naar authenticiteit meer voor onze mode betekenen op de wereldmarkt.

Voor de meeste ontwerpers was de expert meeting een goede netwerkplek waar informatie en tips werden uitgewisseld. ,,Waar laat jij je stoffen drukken? Heb je deze Europese perslijst al geprobeerd?” waren veelgehoorde opmerkingen op de borrel na afloop van de middagmeeting. Producten werden uitgewisseld, maar ook adressen en expertise. Ook werd er nieuwe artistieke inspiratie opgedaan en samenwerkingsverbanden gesloten. Met het gevaar dat de zo gekoesterde authenticiteit door vermenging verloren gaat. Maar in deze geglobaliseerde wereld staat geen enkele culturele uiting, geen enkel ontwerp, geen enkele modestroming meer op zichzelf.

Voor meer info: www.centraalmuseum.nl, www.premsela.org, www.china-lane.com, www.razumikhina.com, www.sungoddess.co.za, www.pinedacovalin.com, www.coopa-roca.org.br.

Dit artikel verscheen in het december 2005/ januari 2006 nummer van het magazine Items.