Crisis in het Nederlandse kunstklimaat - columnDaar zaten ze, de directeuren van de drie toonaangevende beeldende kunstinstellingen van Rotterdam. Sjarel Ex van Museum Boijmans van Beuningen, Hans Maarten van den Brink van Witte de With en Thomas Meijer zu Schlochtern van TENT.. Ieder achter een microfoon bij het debat ter ere van de seizoensopening dinsdagavond in het auditorium van Boijmans. Titel: Een lokale paradox. Hoe internationaal is het Rotterdamse kunstklimaat? Het klonk onschuldig, maar er zat een venijnige ondertoon in: met het internationale imago van de Nederlandse kunstsector is het niet fraai gesteld. De verwijten van de aanwezige kunstenaars vlogen de directeuren om de oren. Dat de instellingen niet bevlogen genoeg programmeren, de verplichting niet voelen om kwaliteit te tonen. Dat de Nederlandse kunstsector daardoor geen gezicht heeft. Dat er genoeg interessante kunstenaars zijn, maar de grote hoeveelheid vierkante meters expositieruimte met moeite opgevuld kan worden. De heren voelden zich niet aangesproken. ,,Er zijn gewoon te veel kunstinstellingen in dit land,” zeiden ze eensgezind. Dat de Nederlandse kunstwereld zich op een moeilijk moment bevindt, is duidelijk. Sinds de Cultuurnota 2005-2008 zijn de klachten over geld niet van de lucht, de debatten over hoe met het nieuwe beleid om te gaan talrijk en de wandelgangen zo vol dat de museumzalen leeg blijven. Kunstenaar Jeanne van Heeswijk vertelde dat ze uitgenodigd was voor een rits soortgelijke debatten, die ze – terecht – zonde van haar tijd vond. Ze heeft het liever over de inhoud, maar nog liever dan dit navelstaren is ze aan het werk. In de pas verschenen essaybundel All that Dutch wordt geopperd dat de Nederlandse vrijplaats voor buitenlandse kunstenaars in de afgelopen decennia ons eigen karakter om zeep zou hebben geholpen. De paradox: internationaal tellen we niet meer mee, omdat we krampachtig graag internationaal willen zijn. Er wordt niet over ons geschreven in internationale kunsttijdschriften en kranten. Kunstcritici vliegen niet massaal in om onze exposities te bekijken. De directeuren zeiden zich er niet in te herkennen. Maar de roep om engagement vanuit het publiek klonk dinsdagavond bijna wanhopig. Een visie zou bij de instellingen ontbreken. In de repliek van de directeuren was het maar een dipje. Het zou liggen aan de politiek. Van den Brink: ,,Laat de overheid maar een visie tonen, dan kunnen wij er tegenin gaan.” Het zou ook nog kunnen liggen aan de kunstenaars. Zoals een toeschouwer het verwoordde: ,,Er wordt te veel knuffelkunst gemaakt, waar is die woede, die bevlogenheid?” Dat er sprake zou zijn van een crisis vinden Ex, Van den Brink en Meijer zu Schlochtern overtrokken. Maar op de een of andere manier missen we de risicovolle, spannende tentoonstellingen in Nederland. En blijven we maar praten over de oorzaken. Misschien hebben ze gelijk, de directeuren, en dempen ons poldermodel en subsidiesysteem de vrije creativiteit en het scherpe engagement. Maar laten zij zich dan niet verleiden tot weer een debat maar het land in gaan om nieuw talent te ontdekken. Talent waarmee de Nederlandse beeldende kunst weer een eigen gezicht krijgt, en - buitenlands - publiek en overheid wakker worden geschud.
|