'Degene die mij niet laat praten, die is fout. Niet ik.’

‘Hoe wij erachter kwamen dat we gecensureerd waren?’ Aldo Rodriguez herhaalt de vraag terwijl hij loom achterover leunt in een schommelstoel. Hij zit dicht bij het open raam zoekend naar koelte in de benauwde Cubaanse zomer. Als frontman van rapgroep Los Aldeanos, de meest expliciete van alle hiphopgroepen uit de Cubaanse underground, neemt hij geen blad voor de mond over de situatie op het eiland, vijftig jaar na de overwinning van Fidel Castro’s revolutie.

‘Het ging zo: speelden een show in een café en de volgende dag werd al het personeel van die tent ontslagen. De keer daarop gebeurde hetzelfde. En dan besef je dat je beter een tijdje kunt stoppen met optreden om niet nog meer ellende te veroorzaken. Nee, het is niet zo dat je een brief krijgt. Alles is hier eigendom van de staat, dus het wordt je zonder woorden duidelijk gemaakt. Zo is het ook nog eens niet te bewijzen.’ Zijn allereerste album zes jaar geleden heette Censurado. Hij grijnst. ‘Ik voorvoelde al dat dat niet erg in de smaak ging vallen bij de autoriteiten.’

Aldo koketteert met zijn zang- en reisverbod, maar feit is dat de scene waar hij deel van uitmaakt zichzelf ziet als een invloedrijke woordguerrilla. Hij rapt: Je vecht voor sociale verandering die de regering niet uitkomt / een intern probleem word je, een normale ziel omringd door dwazen, die, omdat hij niet liegt, voor gek uitgemaakt wordt / stop de Nintendo weg, hier zijn geen extra levens, de straat is het slagveld, je redding een vuist priemend, in de lucht / er is geen uitweg [...] Wil je meedoen, denk goed na: want rap is oorlog’.

Denuncia Social
De meeste Cubaanse jongeren zijn opgegroeid in de periodo especial, een tijd van grote ontberingen begin jaren negentig. Een periode van voedselschaarste, afbrokkelende huizen en bootvluchtelingen. Rapper Humberto Cabrera, beter bekend als Papá Humbertico, is een van die jongeren. In zijn werkkamer annex studio laat hij het treffende nummer Aquel niño que fuimos horen: Mijn generatie droomde niet in kleur, maar leefde in de schaduw van grote vergissingen / wij waren dat kind dat droomde in zwart wit, en tussen houten speelgoed zijn wensen zag vervliegen.

Economisch gaat het nu beter met Cuba, maar het land is er niet ongeschonden uitgekomen. De meeste rapnummers over deze thematiek zijn in mineur, mistroostig, uitzichtloos. Aldo: ‘De tegenstrijdigheden en de armoede hebben de mensen beroofd van hun normen en waarden.’ Papá Humbertico is het met hem eens. ‘De mensen zijn in de war. Jongeren weten niet wie ze zijn, waar ze vandaan komen, en al helemaal niet waar ze naar toe gaan. De Cubaanse identiteit is verloren gegaan.’

In 2002 werd Humbertico in een klap beroemd toen hij bij een rapconcert een bord omhoog hield met daarop de woorden denuncia social - maatschappelijke aanklacht. Hij was toen achttien. En deel van het bord doet nu dienst als dak van de opnamestudio in zijn ouderlijk huis. De overige muren zijn van bloemetjesbehang en het geheel wordt bij elkaar gehouden door dunne houten latten. ‘Denuncia social was de titel van de eerste demo die ik toen net had uitgebracht. Eigenlijk was ik die gewoon aan het promoten,’ lacht hij met een twinkeling in zijn ogen.

‘Op het schijfje stonden liedjes over vrede en gerechtigheid, respect voor ex-gedetineerden en prostituees, en over de mishandeling waar sommige politieagenten zich schuldig aan maken,’ vertelt hij, zittend aan computer en mengpaneel. Aan de muur hangt een poster van Malcolm X. ‘De straf die ik kreeg was vier maanden niet optreden. Vlak voordat die afliepen veranderden ze hem in een reisverbod van een jaar. Ik ben nog steeds het land niet uit geweest.’

Rap en overheid
Rappers zijn niet de enige groep artiesten die kritiek leveren op de Cubaanse overheid. Beeldend kunstenaars, schrijvers en musici, zoals singer-songwriter Pedro Luis Ferrer en – van een heel andere, explicietere orde – de rockers van Porno para Ricardo zijn voor langere en kortere perioden ‘geschorst’ geweest. Maar de hiphop is in essentie een opstandige kunstvorm, overal ter wereld, en kent een losse, jonge en informele structuur, waardoor overheden er moeilijk vat op kunnen krijgen. Behalve een paar commerciële groepen, zoals het op dit moment zeer populaire Ogguere, heeft de hiphop in Cuba nooit de underground verlaten.

‘De relatie tussen rap en overheid is altijd een moeilijke geweest,’ vertelt zangeres en liedjesschrijver Arema Arega, jarenlang verbonden aan de invloedrijke hiphopgroep Alto Voltaje. Samen met de jonge rapper Moisés Witthaker van de groep La Komfromta zit ze aan diens keukentafel in de sjofele buitenwijk Juanelo van de Cubaanse hoofdstad. Arema: ‘Rond de eeuwwisseling kwamen groepen op als Amenaza (later bekend als Orishas, red.) voor het eerst met een eigen, Afro-Cubaanse identiteit. Daarvoor kopieerden we de Amerikaanse rap.’

De Cubaanse hiphop – en daarmee het jaarlijkse rapfestival van Alamar – werd in die periode zo interessant, dat artiesten als Erykah Badu, Tony Touch, The Press en Montell Jordan naar het festival in Havana afreisden. Moisés: ‘The New York Times kwam kijken, Mtv, de BBC, het tijdschrift HiphopNation, de hele mikmak. Maar het Cubaanse publiek wist van niks. Het kwam hier niet op televisie, niet op de radio.’ Arega: ‘Het nieuws verscheen niet eens in Juventud Rebelde (de partijkrant van de jonge communisten, red.).’

Hoe minder de hiphop in de media werd gecoverd, hoe meer de rappers in hun teksten protesteerden tegen de autoriteiten, en hoe meer ze werden gemarginaliseerd. ‘Het was een vicieuze cirkel. De rappers begonnen zich rebellen te noemen en veroordeelden steeds hogere regionen van het systeem,’ vertelt Arema. ‘Op een dag werden de meest regimekritische rappers getrakteerd op een vakantie naar de Sierra Maestra (de bergketen van waaruit de revolutionairen tegen dictator Batista hadden gevochten, red.). Toen ze hoestend, hongerig en met blaren terugkwamen, wilde niemand meer rebels zijn,’ lacht ze. ‘Inclusief mijn eigen groep.’

In 2002 werd het hiphopfestival genationaliseerd. ‘Officieel om het financieel te steunen, maar feitelijk werd het gewoon overgenomen,’ zegt Arema. ‘De minister van cultuur zat dat jaar op de eerste rij bij de opening. Ik zou er een tweetalig lied zingen, maar ik werd vriendelijk verzocht om dat niet te doen. Voor de zekerheid.’ Het jaar daarop bleek het ministerie geen budget te hebben voor het festival. ‘Een strategische overname dus.’

Omstandigheden
Er zijn meer struikelblokken voor de rappers. In Cuba moeten alle artiesten ingeschreven staan bij een ‘empresa’, een soort agentschap. ‘Daar kun je alleen bij komen als je een hogere muziekopleiding hebt,’ vertelt de Arema. ‘Dat hebben de meeste rappers niet. En zonder vertegenwoordiging geen platencontract, geen optredens, en geen geld.’ Rappers nemen hun toevlucht tot een ondergronds circuit van kleine, uit noodzaak geboren studiootjes. De huisstudio van Humbertico, in het rurale, ver buiten Havana gelegen plaatsje Barreras, fungeert als een van de zenuwcentra van de alternatieve hiphop.

Ook de Aldeanos nemen daar aan de lopende band albums op, waarbij vooral de teksten belangrijk zijn. Te wijten aan de snelle productie zijn de beats meestal Westers, plat en bijna altijd ‘geleend’. ‘Cd’s brand ik thuis op een oude Pentium 3 die om de haverklap kapot gaat,’ vertelt Aldo. ‘Videoclips maken we met een kleine fotocamera.’ Er zijn geruchten dat Aldo – omdat hij zo expliciet kritiek levert – gesponsord zou worden door Cubaanse dissidenten in de VS. ‘Was het maar waar,’ reageert hij. ‘Ik kan wel een suikeroompje gebruiken.’

Na een turbulent jaar waarin de rappers het er niet bij lieten zitten en allerlei alternatieve evenementen organiseerden, kwam het hiphopfestival in 2004 terug. Ook werd de Agencia del Rap Cubano (Cubaans rapagentschap) opgericht, bedoeld als label, theater en steun voor de Cubaanse rappers. Arema: ‘De praktijk was dat er maar een paar groepen gesteund werden, zoals Obsesión en Cubanos en la Red. Die werden meteen ook betrokken bij de organisatie van het festival.’ Ook ontstond de Asociación Hermanos Saiz, die jonge, vaak kritische kunstenaars in Cuba steunt en die de meeste hiphopconcerten van Havana organiseert.

Moisés: ‘In 2007 werd de leider van Obsesión, kameraad Magia, president van de Agencia del Rap Cubano. De rappers hoopten dat het allemaal beter zou worden, maar niets is veranderd. Er wordt gezegd dat er geen budget is, maar de werkelijkheid is dat er wel degelijk geld is. Voor bepaalde projecten.’ Arema: ‘Je moet als onafhankelijke groep gewoon heel goed je eigen pr voeren. Groepen als Los Aldeanos en Frijol Negro zijn daar bijvoorbeeld heel goed in.’ Magia López was overigens de enige die niet geïnterviewd wilde worden, ondanks diverse telefonische verzoeken van de auteur.

Censuur
Tot hoever kunnen ze gaan? Aldo: ‘Je kunt hier alles zeggen. Je moet alleen de consequenties aanvaarden. Kijk, je wordt niet geslagen of in de bak gegooid.’ Hij tuurt naar buiten. Zijn appartement kijkt uit op de Zoólogico de la Habana. Hij zegt: ‘Ik zit alleen maar in een kooi. En mag niet zingen. Het is net als een tuinman verbieden de tuin te betreden.’ Humbertico bracht na het incident met het spandoek wel drie dagen in de cel door. ‘Maar dat had daar niets mee te maken. Het was omdat ik zonder papieren op straat liep,’ zegt hij zonder veel overtuiging. ‘Hier in Cuba is constitutionele vrijheid van meningsuiting. Degene die mij niet laat praten, die is dus fout. Niet ik. Maar de mensen zijn bang. Er zijn mensen die moeilijke thema’s niet eens aansnijden bij de bushalte. Maar ik schreeuw ze van de daken.’

Toch is Humbertico, die zijn teksten meer weegt en bewerkt dan zijn collega’s van de Aldeanos, al een stuk milder geworden dan in zijn beginjaren. ‘Ik heb hele harde teksten geschreven, direct gericht aan de hoogste leiders, zoals Detente, en el nombre de Maceo (Stop, in naam van Maceo), maar nu ben ik meer bezig met de menselijke psychologie, met gevoelens. Ik ben aan het rijpen, zonder mijn sociale en politieke penseelstreek te verliezen.’

Ook de teksten van de jonge groep La Komfromta zijn ingepakt in metaforen. Mijn blik raakt bewolkt / de werkelijkheid gaf me te veel klappen/ ik ben een volmaakte scratch, een verzadigd geluid / lopend over het asfalt als Don Quijote / mijn lans gericht op molens die nooit iemand onderscheidt / ik ben de waarheid van deze tijd / het woord / levend in een donker klein vertrek / omdat Babylon me niet erkent. Moisés: ‘Toch zie ik steeds mensen van de veiligheidspolitie bij mijn optredens. Ik weet niet of ze de teksten snappen, maar ze komen wel.’

Door zowel hun teksten als hun gedrag zetten deze jonge mensen hun vrijheid op het spel. Zo vertelt Aldo dat hij consequent zijn taken voor zijn CDR, het lokale wijkcomité van de Communistische partij, zoals wachtrondes en het bijwonen vergaderingen, niet vervult, waarmee hij elke kans op een baan of een reisvisum verspilt. Ze zien het als een verantwoordelijkheid. Humbertico: ‘Ik weet dat ik jonge mensen hoop kan geven met mijn muziek. De dingen gaan hier slecht. Heel slecht. De situatie drijft ons tot wanhoop. Zwijgen? Nee, zwijgen is het enige dat ik echt niet kan.’

Dit artikel staat in het huidige nummer van Mixed Wereldmuziekmagazine

Links:

http://losaldeanos.wordpress.com
www.myspace.com/aremarega
www.myspace.com/lakomfromta

http://vodpod.com/xpressblog/losaldeanos
http://vodpod.com/xpressblog/papahumbertico
http://vodpod.com/xpressblog/real70

Youtube: zoek op Los Aldeanos - Miseria Humana, Niñito Cubano
Youtube: zoek op Papa Humbertico, bijvoorbeeld El niño que fuimos
Youtube: zoek op La Komfromta
Youtube: zoek op Calle Real 70, de naam van een Spaanse lowbudget documentaire over Cubaanse hiphop van eind vorig jaar