'Zang, gitaar, dans: bij ons is elk instrument percussief’Een dialoog tussen een beatboxende Maxwell Wright en het taconeo – hakkengestamp – van de flamencodanseres; een indrukwekkende solo van drie bandleden op cajón, waarin stapsgewijs bongo’s, conga’s en drums worden geïntroduceerd; of een compositie die begint met flamenco-tangos, overgaat in Cubaanse son, en eindigt in een rumba Catalana: het is allemaal typerend voor Ojos de Brujo. De inmiddels wereldberoemde mestizoband maakt naar eigen zeggen flamencohiphop, maar doet zichzelf daarmee ernstig tekort. Rond de eeuwwisseling ontwikkelde de groep uit de Catalaanse hoofdstad een uniek muzikaal vocabulaire dat hen nog steeds tekent: dansbare rumba-funk met veel Indiase, Afro-Caribische en elektronische invloeden. Die rijkheid aan muzikale input culmineerde in 2006 op hun voorlaatste studioplaat Techarí. ‘Dat was inderdaad een explosie van gecondenseerde ideeën,’ zegt bandleider en percussionist Xavi Turull lachend in zijn appartement in hartje Barcelona. ‘Ik kan me voorstellen dat de luisteraar daar soms duizelig van werd. Maar zo complex waren die ritmes niet. We mengden bijvoorbeeld tangos met bhangra (populaire muziek uit het Indiase Punjab, red.), wat een hoop informatie lijkt, maar het in feite niet is. Het is meer de sensatie.’ De basis is altijd de flamenco geweest. Turull: ‘Ja, de ruggengraat van onze muziek is steeds een flamencomathematica. We zijn totaal onthecht van de pop. Binnen die basispatronen - met de ritmische complexiteit van de flamenco - introduceren we andere muzieksoorten, zoals funk, latin of Indiase muziek. Ieder van ons heeft zijn muzikale bagage, zijn eigen idioom uit andere muziekstijlen.’ Organisme De meeste ideeën ontstaan op tournee, en worden op het podium uitgewerkt. ‘Omdat we bijna fulltime onderweg zijn is dat meestal hoe het gaat. Ineens lanceert iemand een bepaalde frase, en als je dat dubbelt heb je ineens een thema. Die thema’s muteren geleidelijk aan op het podium, totdat we er op de laptop mee aan de slag gaan. Onze muziek ontstaat ‘on the road’, organisch, en online.’ Alleen voor de nieuwe cd, die waarschijnlijk Aocaná (‘nu’ in zigeunertaal Caló) gaat heten – ten tijde van het interview was het productieproces nog in volle gang, onder meer in Turulls etage – nam de groep voor het eerst een periode vrij. Afgelopen zomer verhuisden de meeste bandleden naar een huis op het platteland, om de creativiteit te laten vloeien. ‘Dat was ook wel eens fijn, voor de afwisseling,’ beaamt Turull. ‘Wel zo rustig.’ Drie niveaus Maar ook elektronica-dj Panko brengt met zijn scratches en effecten ritme in het geheel, en uit de gitaar van Ramón Jimenez klinkt regelmatig de ‘ventilador’ van de rumba Catalana, waarbij zowel melodie als ritme worden gespeeld. De jonge Wright, die tot nog toe nog niets heeft gezegd, steekt van wal: ‘Het taconeo van de danseres, mijn beatbox en Indiase vocale percussie, de scat-zang van Marina en zelfs de basgitaar: alle instrumenten zijn bij ons percussief. We zijn in essentie een ritmegroep.’ Op het podium staan bij Ojos de Brujo minimaal drie slagwerkers. ‘Meestal is er een drummer, en Xavi en ik,’ gaat Wright verder. ‘We spelen steevast met dezelfde set. Tabla, cajones en andere kleine percussie nemen we zelf mee, drums, conga’s en bongo’s laten we door de zaal neerzetten. Het is eigenlijk een hele simpele set.’ ‘En doordat we heel goed op elkaar zijn ingespeeld, en we altijd checken waar de ander zit, wie op welk moment domineert en wie ondergeschikt is. Zo wisselen we elkaar ook af.’ Wright is de laatste jaren gegroeid als percussionist. ‘Aan het begin had ik nooit de groove van een nummer kunnen dragen op het podium, en inmiddels, met alle ervaring, durf ik die verantwoordelijkheid wel aan.’ Geen drummer Op hun allereerste plaat Vengue, creëerde Ojos de Brujo de groove van hun rumba-funk met cajón, conga’s en Indiase percussie. Ook speelt de groep zonder problemen flamenco en drum ‘n bass op de tabla. ‘Dat is waar we mee begonnen,’ zegt Turull, ‘en waar we de mensen mee verrasten. Zo hebben we onze identiteit gemarkeerd, en daar gaan we weer naar terug. Ook deze plaat is zonder drumpartijen geconstrueerd. De drums komen er alleen in om stukjes in te kleuren. De percussieve basis van ons nieuwe nummer Donde te has metido, bijvoorbeeld, is van cajón en beatbox. En toch klinkt het heel vet.’ Desondanks staat er op 7 april, wanneer Ojos de Brujo in Paradiso speelt, waarschijnlijk een drumstel op het podium. Turull: ‘Live is een drumstel handig, omdat het nou eenmaal snel effect genereert. En geluidstechnici zijn over het algemeen een ramp met tabla en andere subtiele percussie. Het is een soort vangnet.’ Wright benadrukt: ‘De drummers die ons begeleiden moeten van alle markten thuis zijn; ze moeten flamenco kunnen spelen, maar ook Afro-Caribisch. Sergio was een echte rockdrummer. Toen hij net bij ons was lieten we hem alleen schone boventonen en bassen spelen. De middentonen vulden wij helemaal in. We wilden persé geen typisch rockgeluid.’ Filmische percussie Wright: ‘Maar dan niet zoals al die percussieplaten die er al zijn. Ik wil een plaat maken waarbij er elke dertig seconden iets gebeurt, die een verhaal vertelt, een filmische percussieplaat. En ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar op Aocaná komt een bonustrack waarop ik een wateroppervlak bespeel. Het is de flamencostijl ‘por tanguillos’, met alleen water en mijn handen.’ Aocaná komt op 17 maart uit in Spanje, een maand later in de rest van Europa. Op 7 april speelt de groep in Paradiso, Amsterdam. Dit interview staat in de huidige editie van de Slagwerkkrant.
|