"Dit wil ik blijven doen tot ik er bij neerval"“Vanavond speel ik een commercial in en breng ik mijn drumstel naar Amsterdam. Morgen repeteer ik met Kane en treed ik ’s avonds op met New Cool Collective. Vrijdag weer repetities en ’s avonds een show met Candy Dulfer. Zaterdag geef ik een workshop met Kane-bassist Ivo Severijns in Den Haag en treden we op in Het Paard. Zondag speel ik met Kane in de Heineken Music Hall en maandag om kwart over negen ’s ochtends zit ik in een vliegtuig naar New York – voor acht dagen vakantie.” “Ik heb het niet altijd zo druk, hoor,” probeert Joost Kroon (Numansdorp, 1981) het nog. Maar wel zo druk dat zijn lessen op de Rotterdam Jazz Academy twee maanden lang werden gegeven door vaste invaller Remco van der Sluis. “Da’s waar: als ik straks terugkom uit New York speel ik hier één show met Hans Teeuwen, dan doe ik een tournee in Zwitserland met Candy Dulfer, waarna ik direct naar Engeland vlieg met Kane.” Hij lacht. “Ik heb een topleven.” Kroon komt uit een muzikaal gezin, waarvan oudere broer Jochem Kroon ook professioneel drumt – bij Het Groot Niet Te Vermijden. “Ik was al jong aan het drummen. Wat dat betreft weet ik niet beter. Achter het drumstel is voor mij de meest vanzelfsprekende plek om te zitten.” Hij werd aangenomen op het Rotterdams Conservatorium. “Bij de inschrijvingen stonden twee lijstjes: pop en jazz. Ik dacht bij mezelf: pop is wat ik nu speel, ik ga jazz proberen. Ik wist helemaal niets van jazz. Ik had drie jazzplaten, en ik dacht dat Charlie Parker tenor speelde.” Die nieuwsgierigheid kenmerkt ook de rest van zijn nu al rijke carrière. Kroon speelt net zo gemakkelijk jazz, poprock als latin. “Ik vind het leuk om verschillende dingen te doen. En ik zoek het ook op. Ik wilde graag bij New Cool Collective spelen en na een paar jaar werd ik gevraagd. Ik wilde bij Candy Dulfer spelen en ook daar kwam ik terecht. Daarna wilde ik bij een grote rockband drummen. Et voilà: daar was Kane.” Met Kane speelde hij afgelopen juni in voetbalstadium De Kuip. “Het is voor het eerst dat ik niet echt een doel voor ogen heb: er zit een gaatje in de carrièreplanning. Het zou natuurlijk te gek zijn om het in New York te proberen. Maar je moet wel van hele goede huize komen om daar zonder contacten heen te gaan, en eigenlijk ben ik ook een beetje een boerenlul. Ik heb leuke verkering, lieve ouders, een Opel Astra. Dan is het moeilijker om zo’n stap te zetten. En ik heb nu ook nog mijn handen vol aan al mijn projecten.” Die projecten zijn – naast Kane, Candy Dulfer en New Cool Collective – onder meer grooveband Sinas (‘global dance floor music’) en een groep met Sven Figee die ‘gruizige, energieke Hammond-funk’ speelt. “Heel ongecompliceerd allemaal. Als conservatoriumdocent word ik geacht om hele ingewikkelde dingen te doen, maar ik houd meer van die rauwigheid en energie, van het gevoel. Het hoeft voor mij niet zo netjes en gepolijst.” New Cool Collective is al zeven jaar zijn vaste band. “Met de band is er een echte familiedynamiek. Het is net als met een neef of een broer. Soms vind je hem leuk, soms minder, maar hij is en blijft je vlees en bloed.” Kroon is tevreden. “Dit wil ik blijven doen tot ik er dood bij neerval: van en voor de muziek leven, en mijn eigen band hebben. Ja, en misschien een paar hits schrijven, zodat ik verzekerd ben van een basisinkomen per jaar.” Dit is het derde schooljaar dat Kroon lesgeeft bij Codarts. “Aan de eerste twee jaren geef ik techniek, en de derde en vierdejaars leer ik stijlen en grooves. Maar het zijn allebei drumstellessen: ze gaan echt over spel en coördinatie.” Ondanks zijn jonge leeftijd is hij naar eigen zeggen ‘een leraar van de oude stempel’. “Ja, studenten moeten hun mond houden en zich suf studeren,” lacht hij. “Niet zeuren, maar trommelen.” Hij nuanceert: “Kijk, het is het mooist als je een ambachtelijke basis hebt, dan kun je die overboord gooien en compleet het tegenovergestelde doen. Ik vind het leuk als mijn leerlingen eigenwijs zijn, dat ze iets ‘eigens’ met de muziek doen.” Kroon verving Fred Krens, van wie hij zelf nog les kreeg. “Fred is een legende. De drummers die het vak van hem leerden herken je aan hun spel. Zo iemand is niet zo gemakkelijk te vervangen. Maar ik ben jong en fris en da’s ook wat waard.” Dit interview staat in het winternummer van het Codarts Magazine.
|