“Chinezen vinden plastic sexy, Nederlanders houden van metaal”

“Als je in de mediamarkt de afdeling van de mp3-spelers oploopt, vind je een enorm aanbod van apparaten met vrijwel hetzelfde geheugen en dezelfde prestaties,” zegt Ilse van Kesteren. “Technisch zijn die producten vrijwel uitontwikkeld, dus je baseert je aankoopkeuze op aspecten als kleur en vorm, textuur en gewicht.” Van Kesteren promoveerde dit jaar in de richting Industrieel Ontwerpen aan de TU Delft op het belang van belevingsaspecten bij de materiaalselectie van ontwerpers.

“Ik was benieuwd naar de niet-technische overwegingen in het ontwerpproces, en dan vooral naar hoe je die kunt benoemen. Want hoe je een gevoel omschrijft en dat intuïtief naar een materiaal vertaalt is toch een vrij subjectieve zaak. Meestal maken ontwerpers, na het definiëren van de gebruiker, moodboards om de sfeer en kleursamenstelling te presenteren. Maar daarbij worden vaak de sensorische eigenschappen vergeten.”

Na een grondige selectie maakte Van Kesteren een set kaartjes met zestien verschillende bijvoeglijke naamwoorden als ‘levendig’, ‘dominant’ of ‘kinderlijk’. De klant kan daaruit drie kaartjes kiezen die hij het beste bij zijn doelstelling vindt passen. Op de achterkant staan bijbehorende materiaaleigenschappen, zoals ‘hard, glanzend en kleurrijk’, of ‘zijdeglans, combinatie van grijs of zwart met roestvrij staal en regelmatige structuur.’

“Deze vertalingen zijn natuurlijk nog steeds subjectief. Daarom hebben we ze in de praktijk getest bij vier ontwerpbureaus. Zij bleken in veel gevallen een helderder beeld te kunnen schetsen van wat de klant wilde en kwamen sneller tot een oplossing. Soms werd de set aangevuld met nieuwe kaartjes of bleek dat er een nuance werd gezocht tussen twee kaartjes in. In elk geval kwam er altijd een zinvolle discussie op gang.”

Terwijl Van Kesteren het belang van materiaalbeleving onderzocht aan de kant van de productontwerper, doet haar collega-onderzoeker Elvin Karana dat vanuit de kant van de gebruiker. “Ik ben geïnteresseerd in hoe materialen ervaren en omschreven worden. Ik selecteerde tien ‘betekenissen’ als modern, sexy en elegant uit een database van zevenhonderd termen. Daarmee ging ik aan de slag.”

Het lijkt voor de hand te liggen dat roestvrij staal als ‘zakelijk’ en ‘strak’ wordt gezien en een pluizig kussen als ‘gemoedelijk’ en ‘warm’. Maar is dat ook zo? En heeft dat alleen met het materiaal te maken, of zijn andere factoren ook van invloed, vroeg Karana zich af. Dat tweede bleek waar. “Wij denken dat de eigenschappen van materialen doorslaggevend zijn. Maar een ronde prullenmand werd heel anders ervaren dan een van hetzelfde materiaal maar dan met puntige vormen. Ook de functie en context waren van invloed.”

Opvallender was Karana’s ontdekking dat de waardering van materialen per cultuur zeer verschillend was. “In een onderzoek met Chinese en Nederlandse proefpersonen ontdekte ik bijvoorbeeld dat Chinezen plastic sexy, elegant en futuristisch vinden, terwijl Nederlanders die eigenschappen aan metaal toebedelen. Dat is opvallend, omdat Chinezen vroeger niets van plastic moesten hebben, maar ze het, nu dat ze een grote kunststofproducent zijn, zeer waarderen.”

Om meer te weten te komen over culturele verschillen en perceptie van materialen, zal Karana, die zelf van Turkse komaf is, nog een onderzoek uitvoeren met een groot aantal verschillende nationaliteiten. “Het verschil tussen Chinezen en Nederlanders was groot, maar bijvoorbeeld dat tussen Turken en Nederlanders was veel kleiner. Ik ben benieuwd naar andere internationale verschillen.”

Maar wat als datgene wat je ziet, conflicteert met wat je voelt, ruikt of hoort? Als een vaas lijkt te bestaan uit stukjes leer, maar van keramiek blijkt te zijn? Of als een lamp van mat glas lijkt, maar van rubber is? Die ‘sensorische incongruenties’ zijn onderwerp van het promotieonderzoek van Geke Ludden, aan dezelfde Delftse faculteit. Zij sprak met creatieven als Madieke Fleuren, Bert-Jan Pot en Wieki Somers, die veel met conflicterende materialen werken.

Hoewel deze ontwerpers aangaven niet zozeer bezig te zijn met verrassingen maar met materiaalexperimenten, was Ludden benieuwd naar het verrassingselement. “Ik heb een aantal interieurproducten gemaakt die er allemaal hetzelfde uitzagen, maar van verschillende materialen waren gefabriceerd. Sommige materialen klopten sensorisch met wat je zag, andere minder, en een deel conflicteerde totaal.”

Ludden vroeg haar proefpersonen naar de mate van verrassing en naar de emotie vlak daarna. “Soms was dat teleurstelling, maar meestal vrolijkheid, of nieuwsgierigheid. Wanneer er een schrikreactie was, werd die gecompenseerd door de positieve emoties die erop volgden.” Ze herhaalde de experimenten driemaal. “Hoewel de verrassing natuurlijk afnam, werden de verrassende producten toch nog leuker bevonden dan de ‘voorspelbare’.”

Maar dan moet de incongruentie wel associatief uit te leggen zijn. “We gaven een badeendje de geur van banaan en een ander badeendje de geur van hout. Hoewel het allebei conflicterende geuren zijn met het oorspronkelijke product, werd de bananengeur meer gewaardeerd, omdat eerder de associatie werd gemaakt met de kleur van een banaan. Het werkt een beetje als een grap: als ze de incongruentie begrepen was het leuk, maar als hij lukraak was, vonden ze het niet amusant.”

Wel moet gezegd dat het verschil in reacties bij geur en geluid minder heftig was dan bij tast. “Omdat we met onze tast en visuele zintuigen deels dezelfde eigenschappen kunnen waarnemen, is daarbij de tactiele verrassing groter. Bovendien hebben we bij geuren of geluiden meestal minder specifieke verwachtingen. Die twee worden daarom als minder belangrijk geacht.”

Alledrie de onderzoekers benadrukken het belang van het zintuiglijke element van materialen bij het ontwerpproces. Karana is begonnen aan een ‘inspiratiedatabase’ voor materialen en hun betekenis, en van Ludden is net een reeks strategieën verschenen om meer onverwachte wendingen te brengen in materiaalgebruik. Van Kesteren benadrukt: “De industrie ontwikkelt innovatieve materialen vanuit technische mogelijkheden, maar kan er vaak niets mee. Er is behoefte aan ontwerpers die daarmee durven experimenteren.”

Dit stuk staat in het julinummer van Items.