Daan Roosegaarde en zijn technopoëzie“Kijk, deze ventilatoren zijn made in Taiwan, maar tegelijkertijd hebben ze iets poëtisch.” Daan Roosegaarde loopt langs zijn werk Flow, een wand die bestaat uit honderden zwarte ventilatoren. Daar waar hij met zijn hand langs beweegt, beginnen de apparaatjes te draaien. “Er zit iets herkenbaars in, en iets vervreemdends. Wij noemen het technopoëzie.” In een industriegebied in Waddinxveen werkt de kunstenaar met zijn team aan ‘vloeibare ruimten’: interactieve kunstwerken die dienen als verlengstuk van het lichaam. “We zijn benieuwd naar de sensuele kant van techniek. Die paradox tussen techniek en gevoel vind ik interessant. We infecteren statische dingen als wanden met interactie, waardoor het materiaal gedrag gaat vertonen en een eigen leven gaat leiden buiten zijn eigen context. Maar altijd in relatie met de bezoeker.” Je zou van Flow volgens Roosegaarde ook een virtuele projectie op een wand kunnen maken. “Maar juist de materialiteit maakt het overtuigend. Er is een gelijkwaardige relatie tussen de bezoeker en het werk. Zo wordt het een intuïtief spel zonder afstand tussen de techniek en het fysieke.” In de loods van Studio Roosegaarde, die ligt bezaaid met allerhande materialen, schetsen en ondefinieerbare objecten, worden zowel de software als de hardware van de kunstwerken gemaakt. “Zo zijn we niet afhankelijk van fabrikanten. En bovendien kunnen we de techniek integreren in het ontwerp. Als de computer eenmaal niet meer zichtbaar en aanwezig is, wordt het werk nog mysterieuzer.” Roosegaarde werkt vanuit een idee en zoekt er dan een materiaal bij. “Ik heb meestal een bepaalde smaak in mijn mond, maar nog geen ingrediënten. Het is een belangrijke vraag: hoe materialiseer ik mijn idee? Daarbij denk ik aan het karakter van de materialen, en of die passen bij de emotie en de stemming die ik heb bedacht. Vaak kom ik de juiste materialen toevallig tegen, ergens op een industrieterrein, of bij ons in de loods. Dan ga ik ermee experimenteren.” “Ik werk nooit met natuurlijke grondstoffen, maar altijd met synthetische materialen als kunststof en aluminium, omdat ze meer vervreemding oproepen. Sowieso is voor mij een materiaal nooit ‘af’, als een statisch gegeven. Ik maak dingen die de capaciteit hebben om te evolueren naar een intelligenter, gevaarlijker of sensueler uitingsvorm. Daarom realiseer ik geen objecten maar landschappen, waarin de relatie tussen materiaal en gebruiker centraal staat. De identiteit van het materiaal is hybride: de bezoeker en het materiaal vormen elkaar.” “Ik wil met technologie leven blazen in dode materie, en zo een bijdrage leveren aan wat ik noem ‘het nieuwe natuurlijke’. Wat wij nu normaal vinden, bijvoorbeeld dat als je op een roltrap afloopt, het mechanisme begint te draaien, was vijftig jaar geleden ondenkbaar. Ik wil díe dingen maken die over vijftig jaar normaal zijn.” Ondanks Roosegaardes fascinatie voor het buiten de context plaatsen van materialen, is die methode voor hem niet meer afdoende. “Nu wil ik een stap verder gaan, door onbekend materiaal in een onbekende context te plaatsen. Daarvoor moet ik totaal nieuw materiaal creëren. Op dit moment ben ik aan het experimenteren met led’s (Light Emitting Diodes) en vloeibare kristallen, waarmee ik een wand wil maken die het midden houdt tussen een spiegel en een beeldscherm. Geen neonreclame, maar een wand die iets reflecteert van zijn omgeving maar ook eigen informatie uitstraalt. De bestaande materialen, zijn ontoereikend voor dat wat ik wil vertellen.” Roosegaarde, die binnenkort zijn nieuwe project Liquid Space 6.0 presenteert in Japan, heeft inmiddels een aardig netwerk opgebouwd in de technologie-industrie. “Het fijne daarvan is, dat ik naar het lab van Sony kan vliegen en kan kijken wat ze daar aan het bedenken zijn. Vaak doen die bedrijven materiaalontdekkingen die ze niet kunnen verkopen. Daar neem ik dan samples van mee, en ga er verder mee experimenteren. Ik ben blij dat ik niet productgericht werk, maar architectuur en landschappen maak. Dat is zo bevrijdend. Een waaier aan mogelijkheden ligt dan open.” Dit stuk staat in het zomernummer van Items.
|