De 'epidermische' muziekervaring van topviolist Gordan Nikolić“Begin vanuit ontspanning, vanuit het niets,” zegt hij in het Frans tegen zijn vioolstudent, terwijl hij een zwierige, losse dansbeweging maakt. “Nadenken is niet nodig. Ik weet het, je hebt besloten serieus muziek te gaan studeren, maar het mag wel wat frivoler.” En even later, met dezelfde energie en overgave: “Houd niet zo strak aan het ritme vast, die verticaliteit is funest. Speel vloeiende noten. En doe je elleboog omhoog. Ah! Nu hoor ik echt geluid! Continue, continue!” De Servische violist Gordan Nikolić (Brus, 1968), hier aan het woord, heeft een meer dan imponerend palmares. Na zijn studie bij Jean-Jacques Kantorow was hij eerste violist en muzikaal leider bij grote orkesten als het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het London Symphony Orchestra en primarius bij het Europese Vellinger String Quartet. Momenteel vervult Nikolić de rol van dirigerend concertmeester bij het Nederlands Kamerorkest en leidt hij strijkorkesten in Londen, Manchester en Belgrado. Zelf omschrijft Nikolić deze erelijst schertsend als zijn niet meer dan zijn ‘pedigree’. “Natuurlijk, ik verkeer in een luxepositie,” legt hij uit, “maar het gaat me vooral om de muziek. Ook als ik soleer voel ik me geen solist, maar musicus. Muziek is iets dat je moet voelen, het is een bijna epidermische ervaring. Spanjaarden zeggen dat mooi; het woord voor spelen, het bespelen van een instrument, is in het Spaans ‘tocar’. Datzelfde werkwoord betekent ook raken, aanraken.” Tijdens optredens beweegt Nikolić bijzonder expressief, tegen het bezetene aan. Soms lijkt de muziek bijna uit de boomlange Serviër te barsten. Op diezelfde intuïtieve manier geeft hij ook les. “Op de meeste scholen leer je te leren, en na school leer je spelen. Wat ik wil, is de studenten leren de muziek te ervaren. Ik vertel ze wat een stuk voor mij representeert, en laat hen zelf besluiten wat het bij hen teweeg brengt.” De violist gelooft simpelweg in de muziek. “Muziek is een van de grootste dingen ooit gecreëerd. Qua complexiteit komt het in de buurt van religie. Maar religie is verpest door toedoen van mensen die er regels en wetten aan verbonden. Dat gebeurt soms ook met muziek: er is een neiging om ‘op safe’ te spelen, zich te verschuilen achter de regels.” Een ander probleem is volgens hem de muziekindustrie, die op zoek zou zijn naar een ‘product’. “Kunst moet een andere rol spelen. Er zijn ruimten nodig waarin mensen via muziek iets kunnen ontdekken over zichzelf. Deze school is een van de weinige plekken waar je iets kunt ontwikkelen dat niet gaat over het verplicht afleveren van een product. De unieke atmosfeer in mijn lessen is niet te vinden aan de conservatoria van Parijs of Juilliard. Laten we het zo zeggen: de leerlingen in Rotterdam zijn biologisch geteeld,” lacht hij. “Niet gekloond, zoals in de film Gattaca.” Hij denkt terug aan zijn jeugd. “Op school in Belgrado repeteerde ik elke week met het schoolorkest. De leraar dronk koffie, rookte en keek af en toe op van zijn krantje om een opmerking te maken. Op een dag speelden we het Concerto Grosso van Corelli. Na afloop bleef het lang stil. Ineens zagen we dat hij tranen in zijn ogen had. Die dag beseften we wat ‘spelen’ echt betekent. Ook het begrip ‘leraar’ veranderde. De man zou in West-Europa waarschijnlijk worden ontslagen, maar zijn liefde voor muziek was niet te kwantificeren.” Het laatste grote wapenfeit van Nikolić – naast het spelen voor de 80e verjaardag van schrijver Gabriel Garcia Márquez – is het oprichten van Spaanse orkest Bandart, wederom als dirigerend eerste violist. “Het doel van Bandart is een persoonlijk groepsdialect te bereiken met de houding en dynamiek van een dorpsband, maar waarin de hoogste academische kennis wordt verenigd.” Hoewel hij de grenzen opzoekt van de klassieke doctrine, ademt zijn hele wezen klassieke muziek. Heel soms speelt hij met vrienden een paar tango’s of Servische traditionele muziek. “Maar dan wel met partituren,” lacht hij. “Af en toe waag ik het om wat te improviseren, maar dan niet te lang en met het zweet in de handen. Ja, het is een beroepsdeformatie.” Dit artikel stond in het lente-nummer van het Codarts Magazine.
|