Utrecht Manifest 2007: de invloed van het modernisme op hedendaags design en maatschappijDe wereld is niet meer in te delen in mannen en vrouwen, proletariaat en elite: ze is fijnmazig en complex geworden. De vastomlijnde procedures en protocollen van het modernisme volstaan niet meer. Massaproductie is uit, subjectiviteit en maatschappelijke context zijn in. Maar wat is de erfenis van het modernisme? En wat is de gedroomde positie van design in de toekomst? De tweede biënnale Utrecht Manifest stelt zichzelf vanaf november deze vragen in exposities, workshops, debatten en onderzoek. “Ik pleit voor schoonheid, nieuwsgierigheid en intuïtie.” “Het modernistisch gedachtengoed heeft een enorm stempel gedrukt op de inrichting van onze samenleving. En dan vooral op onze productie- en consumptiepatronen. Maar er zijn grote veranderingen gaande. Het is een spannende tijd”. Ed Annink, creatief directeur van Ontwerpwerk in Den Haag, is intendant van Utrecht Manifest, editie 2007. De biënnale beziet hedendaagse ontwikkelingen in design en architectuur vanuit sociaal perspectief. ‘Een herdefiniëring van het modernisme en haar invloed op de hedendaagse ontwerppraktijk’: dat is het doel van de biënnale. En niet alleen van deze: alle biënnales van 2005 tot en met 2013 zullen aan de hand van exposities, workshops, debatten en theoretisch onderzoek dit thema nader bestuderen en proberen te duiden. Aan het eind van de periode volgt een aantal aanbevelingen, waarmee Utrecht Manifest zich in het politiek-maatschappelijke debat wil mengen. Partners zijn de Universiteit Utrecht, de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en het Centraal Museum. Het initiatief voor de biënnale lag bij Pastoe, dat het modernistisch gedachtengoed als filosofie heeft. Harm Scheltens, voormalig directeur van de meubelontwerpers: “De theorievorming is de motor van de biënnale. Net als twee jaar geleden is Gert Staal daar verantwoordelijk voor, dit keer samen met Hestia Bavelaar. Ook is er weer een bedrijvenplatform. Maar nieuw dit jaar is de keuze om één curator alle tentoonstellingen te laten organiseren. Dat is Ed Annink. Zijn opdracht: het visualiseren van de doelstellingen voor een breed publiek. Het worden meer tentoonstellingen, en ze worden leesbaarder dan in 2005. Toen waren ze wat abstract.” Simpele metafoor: wc-deuren Annink vervolgt: “De Oostenrijkse socioloog Otto Neurath en de van oorsprong Duitse graficus Gerd Arntz vonden dat het vertalen naar 6000 talen en 5000 dialecten op de wereld ondoenlijk was. Bovendien was er veel analfabetisme. Om de wereld inzichtelijk te maken en om kennis te delen, stelden ze vastomlijnde procedures en protocollen op. Ook ontwierpen ze – onder het motto ‘words divide, images unite’ – zo’n 4000 universele iconen voor grafieken en statistieken. Arntz en Neurath noemden hun collectie pictogrammen ‘International System of Typographic Picture Eduction’ (ISOTYPE). “Die beelden kregen langzamerhand groot effect op onderwijs en de grafische vormgeving in de openbare ruimte. De beeldstatistieken in de krant, verkeersborden en het gebroken glas op kwetsbare verpakkingen zijn allemaal het gevolg van hun systeem.” Maar ook bijvoorbeeld de bekende iconen op het internet, die taalonafhankelijk zijn. Arntz en Neurath gingen heel ver met hun indeling van de wereld. Zo was er ook een serie poppetjes die ‘de Afrikaan’, ‘de arbeider of ‘de immigrant moesten voorstellen. “Hoe sociaal hun ideeën ook bedoeld waren, die generalisaties volstaan niet meer,” zegt Annink. “De wereld wordt steeds fijnmaziger. Ze is niet meer in te delen in mannetjes en vrouwtjes, ‘Afrikanen’ of ‘arbeiders’. Toepassingen van nu De expositie Lovely Language, die een prominente plek inneemt in de biënnale, borduurt hierop voort. Ze toont een overzicht van het werk van Arntz en Neurath, het genoemde werk van Mieke Gerritzen, en tal van hedendaagse voorbeelden die de grenzen verkennen van de ISOTYPE-pictogrammen. Ze roepen de vraag op welke beelden nog toereikend zijn. Annink: “In zo’n complexe samenleving als de onze lijkt weer taal nodig te zijn, om het beeld aan te vullen. Dat zie je in de typografieën van Arnoud van den Heuvel en Koert van Mensvoort: beeld en woord lijken in elkaar te schuiven.” Er zijn ook argumenten om de beeldtaal te bewaren en zelfs uit te breiden. Gert Dumbar ontwierp samen met twee groepen internationale studenten een serie pictogrammen voor rampgebieden. Ze zijn te gebruiken door humanitaire organisaties wanneer zij hulp bieden bij rampen als oorlog of een tsunami. De pictogrammen zijn bedoeld om orde te scheppen in de chaos van talen, culturele diversiteit en analfabetisme. In de expositie A Safe Place van Utrecht Manifest worden ze tentoongesteld. Ontwikkeling richting persoonlijke perceptie Nu leven we in een tijd waarin het hedonisme zegeviert: de subjectieve ervaring staat centraal. Annink: “Het draait steeds meer om persoonlijke perceptie. Om wat het betekent voor jou als individu. Er is een vernieuwde waardering voor het object.” Dit is volgens Annink duidelijk te zien in de ontwerppraktijk. “De relatie van ontwerpers met de industrie is aan het veranderen. Vanaf de jaren dertig werden designers opgeleid om dienstbaar te zijn aan de industrie. Hun ontwerpen moesten maakbaar en betaalbaar zijn. Door de opkomst van de machines kon alles in enorme aantallen worde geproduceerd. Na de Tweede Wereldoorlog werd die dienstbaarheid alleen maar versterkt.” Van massaproductie ging het via grote, goed beschreven doelgroepen naar nichemarkten. “Het doelgroepdenken heeft zijn langste tijd gehad,” denkt Annink. “De niches worden steeds kleiner, totdat we alleen nog produceren in limited editions. Dat zag je heel duidelijk op de Salone del Mobile in Milaan, dit jaar. De ontwerpers zijn niet tevreden met de industrie, dus maken ze peperdure eigen ontwerpen die bijna niet uit te voeren zijn. Kijkend naar deze ontwikkeling is het interessant om te onderzoeken wat de nieuwe ‘needs and wants’ zijn van de hedendaagse designer.” Maatschappelijke context Ons consumptiegedrag in de 24-uurseconomie wordt voor het eerst op grote schaal aan de kaak gesteld. Daardoor ontstaat er ook een andere relatie met het element tijd.“Er worden nu vragen gesteld als: ‘stel dat je niet meer consumeert? Wat als je die Gucci-bril niet wilt hebben? Of die nieuwe meubels?’ Dan hoef je niet meer zo hard te werken, en blijft er een hoop tijd over voor andere dingen.” De film Surplus oder Konsumterror uit 2003, die hierover gaat, is te zien op de biënnale. We worden steeds bewuster, vindt Annink, “maar we zijn er nog niet. Ik las vandaag in de krant een artikel over een man die een duurzaam huis voor zichzelf aan het timmeren is. Helemaal van hout en recyclematerialen. Maar hij ondervindt weerstand uit zijn omgeving. Mensen zien hem als een zwerver in een hut. Er zijn veranderingen gaande, maar nog een grote kloof tussen wat we vinden en hoe het uitgevoerd wordt.” Volgens Annink kunnen we concluderen dat de industrie minder belangrijk wordt. “Ze is plaats aan het maken voor de maatschappelijke context. Ontwerpers vragen zich nu vaak af: ‘hoe kunnen we datgene dat we al gemaakt hebben, langer op de markt houden?’ In plaats van weer iets nieuws te creëren. Minder produceren is weliswaar minder verkopen, maar ook daarin kun je creatief zijn. Er is internationaal een roep om minder, maar beter design.” Ook de consument zou hier aan toe zijn. Annink: “We kennen in het westen het ‘geluk van het kopen’. Design verandert nu bijna op het tempo van de mode: vier keer per jaar een nieuwe collectie. De omloopsnelheid is enorm. Op een gegeven moment is je huis vol. Vol met spullen van matige kwaliteit.” In de biënnale is dit jaar daarom ook aandacht voor de kwaliteit van de designproducten uit de jaren vijftig. Om de duurzaamheid van dat ontwerp te benadrukken, is er een kleine expositie genaamd ‘Use and use and use…’ met gebruiksproducten die nog steeds functioneren. Ook het recyclen zelf komt aan bod. In het project ‘Re-use and use and use…’ worden kinderen langs de huizen gestuurd met de vraag: ‘Heeft u nog spullen die u eigenlijk al weg had willen gooien?’ Annink: “We gebruiken de nieuwsgierigheid, energie en intuïtie van de kinderen, om van al dat afval een gebruiksvoorwerp te maken.” Ook volgens Harm Scheltens, die aan de wieg stond van de Utrecht Manifest, is het noodzakelijker dan ooit om “ontwerpen te maken die er toe doen: zo kunnen we niet door blijven gaan.” Economie en cultuur Door de hernieuwde aandacht voor integratieproblematiek en haar dagelijkse spanningen, is er vanuit de overheid steeds meer budget om bruggen te bouwen tussen culturele groepen en de maatschappij. De biënnale haakt hierop in door de kennis van de eerste generatie migranten in Nederland te ontsluiten. Annink: “Er is zoveel rijkdom in ambachten, er is zoveel ervaring bij de ouderdom die de jeugd niet heeft. In de westerse wereld stoppen we ouderen weg, om opnieuw het wiel uit te vinden.” In het project Beautiful Cultures zullen migranten van de eerste generatie uit Marokko, Turkije en Indonesië hun vaardigheden delen met jonge academiestudenten. Het resultaat van hun samenkomst wordt tentoongesteld. Onderwijs Aan alle studenten die hij zelf les geeft, onder meer in zomerworkshops van het Vitra Design Museum, toont Annink de documentaire The Pleasure of Finding Things out, die als inspiratiemateriaal te zien is op de biënnale. Het is een interview met wetenschapper en Nobelprijswinnaar Richard Feynman. “Daarin geeft hij het voorbeeld van de bloem. Feynman zegt een vriend te hebben die kunstenaar is, die naar de bloem kijkt als een esthetisch ding. ‘Ik ben niet zo verfijnd en elegant als de kunstenaar,’ zegt Feynman, ‘maar ik zie niet alleen de esthetiek van de buitenkant van de bloem. Ik zie alle processen die in de bloem plaatsvinden, en waarom hij precies daar staat, hoe hij zich voortplant, enzovoort.’ Na het zien van die film, kijken studenten heel anders naar hun ontwerpen. Ze kijken veel meer naar het proces, naar het waarom, naar de perceptie van mensen.” “Kijk,” vervolgt Annink, “ontwerpers leren nu op de academies alle ontwerptrucs van de afgelopen eeuw. Dat is devaluatie van design: ze kunnen alles maken. Dat ontaardt in paarden met lampenkappen en limited editions. Het gaat er nu om dat je je bewust wordt van het effect. Dat je positie kiest. Ken je de metafoor van het geitenpaadje? Geiten nemen altijd hetzelfde paadje, omdat dat leidt naar eten. Mensen doen dat ook: de geijkte paden leiden naar succes. De eerste stap is om te beseffen dat je op dat paadje loopt. Daarna kun je van het pad af. Er is zoveel aanbod, maar wat kun je ermee? Ik wil tegen ontwerpers zeggen: wees nieuwsgierig, durf!” Annink pleit voor “schoonheid, nieuwsgierigheid en intuïtie”. En dat alles vanuit een maatschappelijke betrokkenheid. Annink: “Het modernisme, en zeker de ontwerpen van Arntz en Neurath, waren ook sociaal betrokken, maar dan op een hele andere manier: ze maakten 4000 pictogrammen om te gebruiken in de wereld. Dat deden ze uit een soort radicaal idealisme.” Met dat in het achterhoofd wil de biënnale kijken waar het design nu staat. “En wat haar gedroomde positie is de komende tijd.” Kader: Shift in het onderwijs: Living and Working Together “Als er iets verandert in het onderwijs, dan weet je zeker dat er werkelijk iets is veranderd in de maatschappij,” vindt Ed Annink. “Dan is het menens. Op dat moment moet je jezelf de vraag stellen: wat is de nieuwe positie, de nieuwe rol van de ontwerper? Wat verwacht de wereld van hem, en ook: wat wil de ontwerper zelf?” Met de expositie Living and Working together brengt Utrecht Manifest daarom een overzicht van afstudeerprojecten. Volgens het projectplan van de biënnale worden de volgende vragen gesteld: ‘Kan het zijn dat de focus van het internationale ontwerponderwijs verschuift van een op concept en presentatie gerichte benadering naar een bewuste orientatie op maatschappelijke en milieuproblemen? Wordt het ontwerponderwijs een nomadisch kennisnetwerk?’ Om die vragen te kunnen beantwoorden verzamelt Annink nu werk van studenten en ex-studenten van academies uit Nederland, Portugal, Duitsland, Engeland, Finland. Italië en Brazilië. De studenten zullen ook in discussieavonden ondervraagd worden over hun keuzes. Annink: “Een mooi voorbeeld vind ik het project ‘Uit de klei getrokken’ van Lonny van Rijswijck. Op dertien plaatsen in Nederland haalde ze klei uit de grond, en gaf die vorm als een kommetje en een schotel. Na bakken in de oven bleek dat de klei uit Brunssum geel was, die uit Woerden donkerbruin en de klei uit Gilze Rijen terracotta. De ene was vet, de andere nat, er waren dertien verschillende kleuren in Nederland.” Wat Annink zo mooi vindt aan het project, is ‘dat er kennis wordt ontsloten uit de klei. De klei uit Groningen bleek bijvoorbeeld dezelfde kleur te hebben als die uit Zuid-Engeland. Zo worden we ons bewust van het feit dat we met subculturen te maken hebben, met allemaal hun eigen kleur en samenstelling, maar dat we ook onderling verbonden zijn.” Een ander project van Living and Working Together is dat van Yvonne Fehling uit Karlsruhe. Het bestaat uit een extreem lange tafel, waaruit eenvoudige keukenstoeltjes ‘groeien’. Soms is dat het begin van een rugleuning, soms al een hele stoel, en daaraan zit soms ook weer een stoel. Annink: “Het is bijna als een boom met bladeren. En tegelijkertijd is het een symbool: ik kan op die plank gaan zitten, dan ben ik onderdeel van een groter geheel. Maar ik kan ook op een stoeltje gaan zitten, dan ben ik een individu. Die betekenis doorvoel je als je erop gaat zitten.” Ook de ambachtelijkheid die het werk van Fehling uitstraalt vindt Annink van deze tijd. “Het is helemaal met de hand gemaakt, ik vermoed dat het een uniek exemplaar is. Ook hieraan zie je dat de waardering voor het object duidelijk aan het veranderen is. Door die ambachtelijkheid is er ook weer een nieuwe relatie met het element ‘tijd’ tot stand gebracht.” Artikel plus kader staan in het dubbeldikke zomernummer van Items (2007).
|